Life Divine Hoofdstuk II

 

Studiegroep Integrale Yoga Zoetermeer

HOOFDSTUK II

De Twee Ontkenningen

 

I. DE MATERIALISTISCHE ONTKENNING

 

Hij gaf energie aan de bewustzijnskracht (in de versobering van het denken) en verkreeg de kennis, dat de Materie Brahman is. Want uit de Materie worden alle bestaansvormen geboren; geboren, groeien zij door Materie en zij gaan Materie binnen in hun vooruitgaan. Toen ging hij naar Varuna, zijn vader en zei: ”Heer, onderwijs mij over Brahman.” Maar hij zei tegen hem:”Geef de bewustzijns-energie in je (weer) energie; want de Energie is Brahman.”

Taittiriya Upanishad[1]

DE BEVESTIGING van een goddelijk leven op aarde en een onsterfelijk gevoel in een sterfelijk bestaan kunnen geen basis hebben, tenzij we niet alleen de eeuwige Geest erkennen als de inwoner van dit lichamelijke bouwwerk, de drager van deze veranderbare mantel, maar ook de Materie accepteren, waar het van gemaakt is, als een geschikt en nobel materiaal, waaruit Hij voortdurend Zijn gewaden weeft, herhaaldelijk de niet eindigende reeksen van Zijn bouwwerken bouwt.

Noch is zelfs dit genoeg om ons te beschermen tegen het terugdeinzen van het leven in het lichaam, tenzij we met de Upanishads, terwijl we achter hun verschijningen de essentiële identiteit van deze twee extreme uitdrukkingen van bestaan waarnemen, in staat zijn te zeggen in de diepgaande taal van die oeroude geschriften, ”Materie is ook Brahman”, en volledige waarde geven aan de krachtige voorstelling, waardoor het fysieke universum beschreven wordt als het uitwendige lichaam van het Goddelijk Wezen. Noch, — deze twee uitdrukkingen zijn kennelijk zo ver verdeeld, — overtuigt die identificatie het rationele intellect, wanneer we weigeren een serie opstijgende uitdrukkingen te erkennen (Leven, Denkvermogen, Supramentaal Vermogen en de gradaties, die het Denkvermogen met het Supramentale verbinden) tussen de Geest en de Materie. De twee moeten anders verschijnen als onverzoenbare opponenten, die verbonden zijn in een ongelukkige huwelijksverbintenis met als enige redelijke oplossing hun scheiding. Hun identificatie en de vertegenwoordiging van de een in termen van de ander wordt een kunstmatige creatie van het Denken, tegengesteld aan de logica van de feiten en alleen mogelijk door een onwerkelijke mystiek.

Wanneer we verklaren, dat er alleen zuivere Geest is en een mechanische, onintelligente substantie of energie, waarvan we de een God of Ziel noemen en de andere Natuur, zal het onvermijdelijke einde zijn, dat we of God zullen ontkennen of anders ons van de Natuur af zullen keren. Voor zowel het Denken als het Leven wordt een keuze noodzakelijk. Het Denken komt tot de ontkenning van de een als een illusie van de verbeelding of de ander als een illusie van de zintuigen; het Leven komt zichzelf fixeren op het immateriële en vlucht weg van zichzelf in een afkeer of zelfvergetende extase, of anders ontkent zij haar eigen onsterfelijkheid en neemt zij haar oriëntatie weg van God en in de richting van het dier. Purusha en Prakriti, de passieve lichtende Ziel van de Sankhyas en hun mechanische actieve Energie hebben niets gemeen, zelfs niet hun tegengestelde vormen van traagheid; hun tegenstellingen kunnen alleen opgelost worden door het stopzetten van de traag gedreven Activiteit naar de onveranderlijke Rust, waarop zij vergeefs de steriele reeks van haar beelden geworpen heeft. Shankara’s woordeloze, niet actieve Zelf en zijn Maya van vele namen en vormen zijn even ongelijke en onverenigbare entiteiten; hun sterke tegenstrijdigheid kan alleen eindigen door de oplossing van de veelvoudige illusie in de gehele Waarheid van een eeuwige Stilte.

De materialist heeft een gemakkelijker werkveld; het is mogelijk voor hem door de ontkenning van de Geest te komen tot een meer complete overtuigende eenvoud van verklaring, een werkelijk Monisme, het Monisme van Materie of anders van Kracht. Maar het is onmogelijk voor hem om voortdurend in deze starheid van verklaring te volharden. Hij eindigt ook bij het plaatsen van een onkenbaar als traagheid, zo ver van het bekende universum als het passieve Purusha of het stille Atman. Het dient geen ander doel dan het wegzetten van de onverbiddelijke eisen van het Denken door een vage tegemoetkoming of te staan als een excuus voor de weigering om de grenzen van onderzoek te verleggen.

Daarom kan het menselijk denkvermogen niet tevreden rusten in deze onvruchtbare tegenstellingen. Hij moet altijd zoeken naar een complete bevestiging; hij kan dit alleen vinden door een lichtende verzoening. Om die verzoening te bereiken, moet hij de graden weerstaan, die ons innerlijk bewustzijn ons oplegt en, of door de objectieve methode van analyse, toegepast op het Leven en het Denkvermogen, alsook op de Materie, of door subjectieve synthese en verlichting de rust bereiken van de ultieme eenheid zonder de energie van expressieve veelheid te ontkennen. Alleen in een zodanige, volledige en veelzijdige bevestiging kunnen alle veelvormige en blijkbaar tegengestelde data van bestaan geharmoniseerd worden en de veelvoudige tegenstrijdige krachten, die ons denken en leven beheersen de centrale Waarheid ontdekken, die zij hier moeten symboliseren en op verschillende wijze vervullen. Alleen dan kan ons Denken, dat een waar centrum heeft gekregen, ophouden in cirkels te dwalen, werken zoals Brahman van de Upanishads, vast en stabiel, zelfs in zijn spel en zijn wereldwijde koersen en ons leven, dat zijn  doel kent, zal het dienen met een serene en gevestigde vreugde en licht, alsmede met een ritmische onsamenhangende energie.

Maar wanneer dat ritme eenmaal verstoord is, is het noodzakelijk en behulpzaam, dat de mens ieder van de twee grote tegengestelden test in hun extreme handhaving. Het is de natuurlijke weg van het denkvermogen om meer volmaakt terug te keren naar de affirmatie, die hij verloren heeft. Op de weg kan hij proberen te rusten in de tussenliggende gradaties, waarbij alle dingen gereduceerd worden in de termen van een oorspronkelijke Levensenergie of van een gevoel of van Ideeën; maar deze uitzonderlijke oplossingen hebben altijd een waas van onwerkelijkheid. Zij kunnen de logische rede, die alleen handelt met zuivere ideeën, een tijdje bevredigen, maar zij kunnen het gevoel van actualiteit van het denkvermogen niet bevredigen. Want het denkvermogen weet, dat er iets achter zichzelf is, dat niet het Idee is; hij weet aan de andere kant, dat er iets binnen zichzelf is, dat meer is dan de vitale Adem. Of de Geest of de Materie kan hem tijdelijk enig gevoel van ultieme werkelijkheid geven; niet echter enige van de principes, die er tussen liggen. Hij moet daarom naar de twee extremen gaan, voordat hij vruchtbaar kan terugkeren naar het geheel. Want door zijn diepere natuur, die gediend wordt door een gevoel, dat alleen de delen van het bestaan duidelijk kan waarnemen en een spraak, die ook alleen duidelijkheid kan verkrijgen, wanneer hij zorgvuldig deelt en beperkt, wordt het intellect gedreven, terwijl hij deze veelheid van elementaire principes voor zich heeft, om eenheid te zoeken door alles meedogenloos tot de termen van een te reduceren. Hij probeert praktisch, om deze ene te doen gelden, af te komen van de anderen. Om de werkelijke bron waar te nemen van hun identiteit zonder dit exclusieve proces, moet hij of zichzelf voorbij gesprongen zijn of hij moet het circuit afgemaakt hebben om alleen te vinden, dat alles zich op dezelfde manier reduceert tot Dat, wat aan de definitie of omschrijving ontsnapt en toch niet alleen werkelijk, maar ook verkrijgbaar is. Over welke weg we ook reizen, Dat is altijd het eind, waar we aankomen en we kunnen alleen ontsnappen door te weigeren om de reis af te maken.

Het is daarom een goed voorteken, dat na veel experimenten en verbale oplossingen, we nu onszelf vandaag terugvinden in de aanwezigheid van de twee, die langdurig de meest rigoureuze testen van ervaring gedragen hebben, de twee extremen, en dat aan het eind van de ervaring beiden tot een resultaat zouden moeten zijn gekomen, dat het universele instinct in de mensheid, die versluierde rechter, schildwacht en vertegenwoordiger van de universele Geest van Waarheid, weigert als correct of bevredigend te accepteren. In Europa en in India, respectievelijk, hebben de ontkenning van de materialist en de weigering van de asceet gezocht zich te vestigen als de enige waarheid en de ontvangst van Leven te domineren. Hoewel het resultaat in India een grote toename van de schatten van de Geest is geweest, — of van sommige van hen, — is het ook een groot bankroet van het Leven geweest; in Europa is de volheid van rijkdom en triomfantelijk meesterschap over de vermogens en bezittingen van de wereld gevorderd tot een gelijkwaardig bankroet in de dingen van de Geest. Noch heeft het intellect, dat zocht naar de oplossing van alle problemen in de ene term van de Materie, bevrediging gevonden in het antwoord, dat hij heeft ontvangen.

Daarom wordt de tijd rijp en de tendens van de wereld beweegt naar een nieuwe en veelomvattende bevestiging in het denken en in innerlijke en uiterlijke ervaring en naar haar consequentie, een nieuwe en rijke zelfvervulling in een integraal menselijk bestaan voor het individu en voor het ras.

Vanuit het verschil in relaties van de Geest en de Materie met de Onkenbare, die zij beiden vertegenwoordigen, rijst ook een verschil van doelmatigheid in de materiële en spirituele ontkenningen. De ontkenning van de materialist, ofschoon meer volhardend en onmiddellijk succesvol, gemakkelijker bij zijn beroep op de algemeenheid van de mensheid, is toch minder duurzaam, ten laatste minder effectief, dan de absorberende en hachelijke weigering van de asceet. Want het herbergt in zichzelf haar eigen genezing. Haar meest krachtige element is de Agnostiek, die, door de Onbekende toe te laten achter alle manifestatie, de grenzen van het onkenbare uitbreidt totdat het alles, dat hoofdzakelijk onbekend is, bevat. Haar veronderstelling is, dat de fysieke zintuigen ons enige middel van Kennis zijn en dat de Rede daarom zelfs in haar meest uitgebreide en krachtige vluchten niet kan ontsnappen buiten hun domein; zij moet altijd en alleen handelen met de feiten, die zij leveren of voorstellen; en de voorstellen zelf moeten altijd gebonden gehouden worden aan hun oorsprongen; we kunnen er niet aan voorbij gaan, we kunnen ze niet als brug gebruiken, die ons leidt naar een domein, waar meer krachtige en minder beperkte faculteiten in het spel betrokken raken en een ander soort onderzoek ingesteld moet worden.

Een veronderstelling, die zo arbitrair is, verklaart over zichzelf haar eigen uitdrukking van tekortkoming. Zij kan alleen onderhouden worden door dat hele uitgebreide veld van bewijs en ervaring te ontkennen of weg te redeneren, die haar tegenspreken, nobele en bruikbare faculteiten ontkennen of afbreken, die bewust of duister actief zijn of op zijn minst latent aanwezig in alle menselijke wezens en te weigeren suprafysieke fenomenen te onderzoeken, behalve zoals zij zich manifesteren in relatie tot de materie en haar bewegingen en opgevat als een ondergeschikte activiteit van materiële krachten. Zodra we de werkingen van het denkvermogen en het supramentale beginnen te onderzoeken, in henzelf en zonder het vooroordeel, dat werd bepaald vanaf het begin om in hen alleen een ondergeschikte term van de Materie te zien, komen we in contact met een massa fenomenen, die totaal ontsnappen aan de vaste greep, het beperkende dogmatisme van de materialistische formule. En op het moment, dat we erkennen, zoals onze ruimere ervaring ons dwingt te erkennen, dat er in het universum kenbare realiteiten zijn voorbij het bereik van de zintuigen en in de mens vermogens en faculteiten, die eerder de materiële organen, waarmee ze zichzelf in contact houden met de wereld van zintuigen, bepalen, dan er door bepaald worden, — die uiterlijke schil van ons ware en complete bestaan, — verdwijnt de veronderstelling van de materialistische Agnostiek. Wij zijn klaar voor een grotere uitspraak en een altijd ontwikkelend onderzoek.

Maar eerst is het goed, dat we het enorme, onmisbare nut zouden erkennen van de zeer korte periode van rationeel Materialisme, waar de mensheid doorheen is gegaan. Want het enorme veld van bewijs en ervaring, dat nu begint haar poorten voor ons te heropenen, kan alleen veilig binnengegaan worden, wanneer het intellect stevig geoefend is in een heldere soberheid; benaderd door onrijpe denkvermogens leent het zichzelf voor de meest hachelijke verstoringen en misleidende voorstellingen en heeft in werkelijkheid in het verleden een werkelijke kern van waarheid omkorst met een zodanige aanwas van perverterende bijgeloven en irrationaliserende dogma’s, dat alle vooruitgang in de ware kennis onmogelijk was geworden. Het werd noodzakelijk om voor een periode de waarheid en haar vermomming schoon te vegen, zodat de weg helder zou zijn voor een nieuwe afreis en een zekerdere vooruitgang. De rationalistische tendens van het Materialisme heeft deze grote dienst verricht voor de mensheid.

 Want vermogens, die de zintuigen transcenderen, zijn juist door het feit, dat zij ingebed liggen in de Materie, uitgezonden om in een fysiek lichaam te werken, in het harnas gezet om een kar te trekken met de emotionele verlangens en zenuwimpulsen, blootgesteld aan een gemengde werking, waarin zij eerder het gevaar lopen van verlichtende verwarring dan van verhelderende waarheid. Dit gemengd functioneren is speciaal gevaarlijk, wanneer mensen met onkuise denkvermogens en ongezuiverde gevoeligheden proberen op te stijgen naar de hogere domeinen van spirituele ervaring. In welke regionen van niet substantiële wolken en halfschitterende mist of een duisternis, bezocht door flitsen, die meer verblinden, dan zij verlichten, verliezen zij zichzelf niet door dat onbezonnen en voortijdige avontuur! Een avontuur, dat inderdaad nodig is op de weg, die de Natuur kiest om haar vooruitgang te bewerkstelligen, — want zij vermaakt zichzelf als zij werkt, — maar toch, voor de Rede, onbezonnen en voortijdig.

Het is daarom noodzakelijk, dat de voortgaande Kennis zich zou moeten baseren op een helder, zuiver en gedisciplineerd intellect. Het is ook noodzakelijk, dat zij haar fouten soms zou moeten corrigeren door terug te keren naar de beperking van een voelbaar feit, de concrete werkelijkheden van de fysieke wereld. De aanraking van de Aarde versterkt altijd de zoon van de Aarde, zelfs, wanneer hij naar suprafysieke Kennis zoekt. Het mag zelfs gezegd worden, dat het suprafysieke alleen werkelijk in zijn volheid beheerst kan worden, — naar haar hoogten kunnen we altijd reiken — wanneer we onze voeten stevig op het fysieke houden. “De Aarde is Zijn fundament[2], zegt de Upanishad, wanneer zij het Zelf ook uitbeeldt, dat zich manifesteert in het universum. En het is zeker een feit, dat, hoe verder we uitbreiden en hoe zekerder we onze kennis maken van de fysieke wereld, hoe uitgebreider en zekerder onze fundatie wordt voor de hogere kennis, zelfs voor de hoogste, zelfs voor de Brahmavidya.

Daarom moeten we, wanneer we tevoorschijn komen uit de materialistische periode van menselijke Kennis, voorzichtig zijn, dat we niet onbezonnen veroordelen, wat we verlaten of een jota van haar verwervingen weggooien, voordat we waarnemingen en vermogens, die goed begrepen en zeker zijn, kunnen oproepen om hun plaats in te nemen. We moeten eerder met respect en verwondering het werk observeren, dat het Atheïsme gedaan heeft voor de Godheid en de diensten bewonderen, die het Agnosticisme heeft gebracht bij het voorbereiden van de onbegrensbare toename van kennis. In onze wereld is de fout voortdurend de dienaar en wegbereider van de Waarheid; want een fout is in werkelijkheid een halve waarheid, die strompelt vanwege zijn beperkingen; vaak is het de Waarheid, die een vermomming draagt om onopgemerkt zijn doel dicht te naderen. Wel, als hij altijd, zoals hij geweest is in de geweldige periode, die we verlaten, de trouwe dienstknecht kon zijn, streng, plichtsgetrouw, vastomlijnd, lichtend binnen zijn beperkingen, een halve waarheid en geen roekeloze en hooghartige afwijking.

Een zekere vorm van Agnostiek is de uiteindelijke waarheid van alle kennis. Want, wanneer we aan het eind komen van welk pad dan ook, dan verschijnt het universum alleen als een symbool of verschijning van een onkenbare Werkelijkheid, die zich hier vertaalt in verschillende systemen van waarden, fysieke waarden, vitale en zintuiglijke waarden, intellectuele, ideologische en spirituele waarden. Hoe meer Dat werkelijk wordt voor ons, hoe meer wordt gezien, dat het altijd aanwezig is achter het definiërende denken en de formulerende uitdrukking. “Het Denkvermogen oogst daar niet, noch de spraak.”[3] En toch, zoals het mogelijk is om met de Illusionisten de onwerkelijkheid van de verschijning te overdrijven, zo is het mogelijk om de onkenbaarheid van de Onkenbare te overdrijven. Wanneer we over Het spreken als onkenbaar, bedoelen we werkelijk, dat Het ontsnapt aan het begrip van ons denken en spraak, welke instrumenten zijn, die altijd voortgaan door het gevoel van verschil en zich uitdrukken op de manier van definitie; maar, wanneer Het niet kenbaar is door gedachte, is Het verkrijgbaar door een uiterste inspanning van bewustzijn. Er is zelfs een soort Kennis, die een is met Identiteit en waardoor Het op een bepaalde manier gekend kan worden. Die Kennis kan zeker niet succesvol gereproduceerd worden in de termen van het denken en de spraak, maar, wanneer we het verworven hebben, is het resultaat een herwaardering van Dat in de symbolen van ons kosmisch bewustzijn, niet alleen in een, maar in alle reeksen symbolen, wat resulteert in een omwenteling van ons innerlijk wezen en door het innerlijk van ons uiterlijke leven. Bovendien is er ook een soort Kennis, waardoor Dat zich openbaart door al deze namen en vormen van fenomenaal bestaan, dat Het voor het gewone bewustzijn alleen verzegelt. Het is dat hogere, maar niet het hoogste proces van Kennis, waar we aan kunnen deelnemen door het passeren van de beperkingen van de materiële formule en het nauwkeurige onderzoek van het Leven, het Denkvermogen en het Supramentale in de fenomenen, die karakteristiek voor hen zijn en niet hoofdzakelijk in die ondergeschikte bewegingen, waarmee zij zich verbinden met de Materie.

Het Onbekende is niet de Onkenbare[4]; het hoeft niet het onbekende voor ons te blijven, tenzij we onwetendheid verkiezen of volharden in onze eerste beperkingen. Want voor alle dingen, die niet onkenbaar zijn, alle dingen in het universum, corresponderen er in dat universum faculteiten, die er kennis van kunnen nemen en in de mens, de microkosmos, bestaan deze faculteiten altijd en kunnen in een bepaald stadium ontwikkeld worden. We kunnen kiezen om ze niet te ontwikkelen; waar zij gedeeltelijk ontwikkeld zijn, kunnen we ze ontmoedigen en hen een soort atrofie opleggen. Maar fundamenteel is alle mogelijke kennis binnen het vermogen van de mensheid. En omdat er in de mens een onvervreemdbare impuls van de Natuur aanwezig naar zelfrealisatie, kan geen strijd van het intellect om de actie van onze mogelijkheden binnen een bepaald gebied te limiteren voor altijd de overhand hebben. Wanneer we de Materie bewezen hebben en haar geheime capaciteiten hebben gerealiseerd, moet juist die kennis, die zijn doelmatigheid in die tijdelijke beperking gevonden heeft, ons toeschreeuwen, zoals de Vedantische Beheersers:”Vooruit nu en kom ook naar voren op andere gebieden.”[5]

Wanneer modern Materialisme eenvoudigweg een onintelligente aanvaarding zou zijn in het materiële leven, zou de vooruitgang voor altijd vertraagd kunnen zijn. Maar sinds juist haar ziel de zoektocht naar Kennis is, zal zij niet in staat zijn een halt toe te roepen; wanneer het de grenzen bereikt van de kennis van de zintuigen en van de beredenering van de kennis van de zintuigen, zal haar diepe aandrang haar verder dragen en de snelheid en zekerheid, waarmee zij het zichtbare universum omarmt heeft, geeft alleen de ernst weer van de energie en het succes, welke we hopen herhaald te zien bij de verovering van wat er achter ligt, wanneer de schrede is genomen, die de grens overschrijdt. Wij zien reeds die voortgang in haar duistere aanvangen.

Niet alleen in de ene uiteindelijke beeldvorming, maar in de grote lijn van haar algemene resultaten, neigt Kennis, door welk pad zij ook gevolgd wordt, om een te worden. Niets kan opmerkelijker en suggestiever zijn dan de omvang, waarmee de moderne Wetenschap in het gebied van Materie de opvattingen en zelfs juist de taalformuleringen bevestigt, die verkregen werden door een zeer verschillende methode, in de Vedanta, — de oorspronkelijke Vedanta, niet die van de scholen van metafysische filosofie, maar van de Upanishads. En deze openbaren aan de andere kant vaak hun volledige betekenis, hun rijke inhouden, alleen, wanneer zij bekeken worden in het nieuwe licht, uitgestraald door de ontdekkingen van de moderne Wetenschap, — bijvoorbeeld die Vedantische uitdrukking, welke de dingen in de Kosmos omschrijft als een zaad, dat door de universele Energie geordend is in veelvoudige vormen[6]. Speciaal veelbetekenend is de drang van de Wetenschap naar een Monisme, dat verenigbaar is met veelvoudigheid, naar het Vedische idee van de ene essentie met haar vele wordingen. Zelfs als op de dualistische verschijning van de Materie en Kracht aangedrongen wordt, staat dit niet werkelijk in de weg van dit Monisme. Want het zal duidelijk zijn, dat essentiële Materie niet bestaat voor de zintuigen en alleen, zoals de Pradhana van de Sankhyas, een conceptuele vorm is van substantie; en in feite wordt het punt meer en meer bereikt, waar alleen een willekeurig onderscheid in het denken de vorm van substantie onderscheidt van de vorm van energie.

Materie drukt zichzelf uiteindelijk uit als een formulering van een of andere onbekende Kracht. Ook het Leven, dat nog ondoorgrondelijke mysterie, begint zichzelf te openbaren als een duistere energie van gevoeligheid, die gevangen is in haar materiële formulering; en wanneer de verdelende onwetendheid is genezen, die ons het gevoel geeft van een kloof tussen Leven en Materie, is het moeilijk om te veronderstellen, dat gevonden zal worden, dat het Denkvermogen, Leven en Materie iets anders zijn dan een Energie, drievoudig geformuleerd, de drievoudige wereld van de Vedische zieners. Noch zal de begripsopvatting dan in staat zijn een brute materiële Kracht te verduren als moeder van het Denkvermogen. De Energie, die de wereld creëert, kan niets anders zijn dan een Wil en Wil is alleen bewustzijn, dat zichzelf toepast voor een werk en een resultaat.

Wat is dat werk en resultaat, wanneer het geen zelfinvolutie is van Bewustzijn in de vorm en een zelfevolutie uit de vorm, dan om een of andere machtige mogelijkheid in het universum te verwerkelijken, dat het heeft gecreëerd? En wat is haar wil in de Mens, als het geen wil is tot Leven zonder einde, tot ongebonden Kennis, naar onbelemmerd Vermogen? De Wetenschap begint zelf te dromen van de fysieke verovering van de dood, drukt een onverzadigbare dorst uit naar kennis, en werkt iets uit als een aardse almachtigheid voor de mensheid. Ruimte en Tijd trekken samen naar het verdwijnpunt in haar werken en zij streeft op honderden manieren om de mens de meester te maken van de omstandigheid en op die manier de boeien van oorzakelijkheid te verlichten. Het idee van beperking, van het onmogelijke begint een beetje duister te worden en het lijkt in plaats daarvan, dat wat de mens ook voortdurend wil, hij tenslotte ook in staat moet zijn om te doen; want het bewustzijn in het ras vindt uiteindelijk de middelen. Deze almachtigheid drukt zich niet uit in het individu, maar de collectieve Wil van de mensheid die zichzelf uitwerkt met het individu als middel. En toch, wanneer we dieper kijken is het geen bewuste Wil van het collectief, maar een superbewuste Macht, die het individu gebruikt als een centrum en als middel, de collectiviteit als een voorwaarde en veld. Wat is dit anders als de God in de mens, de oneindige Identiteit, de veelvormige Eenheid, de Alwetende, de Almachtige, die, nadat hij de mens gemaakt heeft naar Zijn eigen beeld, met het ego als werkcentrum, met het ras, de gemeenschappelijke Narayana[7], de visvamanava[8] als de vorm en omschrijving, in hen poogt een of ander beeld uit te drukken van de eenheid, alwetendheid, almacht, die de zelfopvatting van de Godheid zijn? “Datgene, wat onsterfelijk is in stervelingen, is een God en van binnen gevestigd als een energie, die naar buiten werkt door middel van onze goddelijke vermogens.”[9] Het is deze enorme kosmische impuls, die de moderne wereld, zonder haar eigen doel nogal goed te kennen, vooralsnog dient in al haar handelingen en onbewust werkt om te vervullen.

Maar er is altijd een beperking en een belemmering, — de beperking van het materiële veld in de Kennis, de belemmering van de materiële machinerie in het Vermogen. Maar ook hier is de laatste trend hoogst belangrijk voor een vrijere toekomst. Zoals de buitenposten van wetenschappelijke Kennis meer en meer worden gezet op de grenzen, die de materie scheiden van het immateriële, zo zijn ook de hoogste prestaties van de praktische Wetenschap, diegene, die de machinerie neigen te vereenvoudigen en te reduceren tot het verdwijnpunt, waardoor de grootste effecten geproduceerd worden. Draadloze telegrafie is het uitwendige teken van de Natuur en voorwendsel voor een nieuwe oriëntatie. Het waarneembare fysieke middel voor de tussenliggende overbrenging van fysieke kracht is verwijderd, het is alleen behouden op de locaties van verzending en ontvangst. Tenslotte zullen zelfs deze moeten verdwijnen; want wanneer de wetten en krachten van het suprafysieke bestudeerd worden vanuit het correcte beginpunt, zullen de middelen stellig gevonden worden, waarmee het Denkvermogen direct de fysieke energie aan kan pakken en het nauwkeurig kan versnellen na haar boodschap. Wanneer we onszelf er toe brengen dit te erkennen, liggen daar de poorten, die  opengaan naar de enorme vergezichten van de toekomst

Echter, zelfs als we volledige kennis hadden van en beheersing over de werelden onmiddellijk boven de Materie, dan zou er nog een beperking zijn en een verder gelegen gebied zijn. De laatste knoop van onze slavernij ligt op het punt, waar het uiterlijke in eenheid samentrekt met het innerlijke, de machinerie van het ego zelf verkleind wordt naar het verdwijnpunt en de wet van onze handeling uiteindelijk eenheid is, die veelheid omhelst en bezit en niet langer, zoals nu, veelheid, die strompelt naar een of andere vorm van eenheid. Er is een centrale troon van kosmische Kennis, die uitzicht geeft over haar wijdste heerschappij; daar bevindt zich het keizerrijk van jezelf met het keizerrijk van je wereld;[10] daar is het leven[11] in het eeuwige volmaakte Wezen en de realisatie van Zijn goddelijke natuur[12] in ons menselijke bestaan


3— Taittiriya Upanishad — III. I, 2.

[2]Padbhyām prthivi—Mundaka Upanishad II.1.4.
Prthivī pājasyam—Brihadaranyaka Upanishad. I.1.1.

[3] Kena Upanishad. I. 3.

[4]— Anders is Dat, dan het Bekende,; het is ook boven het Onbekende — Kena Upanishad. I. 3.

[5]Rig Veda. I. 4. 5.

[6]Swetaswatara Upanishad VI. 12.

[7] Een naam van Vishnu, die, als de God in de mens, voordurend leeft, geassocieerd in een duale eenheid met Nara, het menselijke wezen.

[8]— De universele mens.

[9]Rig Veda. IV. 2. 1.

[10]Svārājya en Sāmrājya, het dubbele streven, aan zichzelf voorgesteld door de positieve Yoga van de ouden.

[11]Sālokya-mukti, bevrijding door bewust bestaan in een wereld van zijn met de Godheid.

[12]Sādharmya-mukti, bevrijding door de aanname van de Goddelijke Natuur.